Lol met LocoNet

LocoNet is ontwikkeld door Digitrax. De afgelopen jaren is LocoNet door verschillende fabrikanten geadopteerd, in Europa met name door Uhlenbrock. Je vindt LocoNet dan ook op de Intellibox, het Fleischmann Twin-Center en de Piko Digi-Power-Box. De lol van LocoNet is dat alle apparaten over dezelfde bus praten en van elkaar weten wat ze doen. Zo kan een seintableau direct reageren op een bezetmelding en een sein op een locnummer van een Lissy-module, zonder dat de centrale zich ermee hoeft te bemoeien.

Praktijk
De Intellibox heeft twee LocoNet-aansluitingen. De linker (LocoNet B) is bedoeld voor het aansluiten van boosters. Je mag er ook andere LocoNet-apparatuur inpluggen. De rechter (LocoNet T) is puur bedoeld voor handregelaars, decoders en andere LocoNet-spullen. Je kunt er geen booster op aansluiten; op pin 1 en 6 staat 12 Volt gelijkspanning in plaats van het rail-sync-signaal wat de boosters nodig hebben. De LocoNet B aansluiting kan maximaal 0,2A leveren, LocoNet-T maximaal 0,5A.
LocoNet maakt gebruik van standaard Amerikaanse telefoonkabels. Deze kabels hebben zes aders, twee meer dus dan bij ons. De pluggen zijn dan ook een maatje groter dan onze telefoonstekkers. De officiële naam voor de stekkers is RJ12. Je kunt ze kopen bij elke elektronicazaak of bij postordergigant Conrad.
Een LocoNet netwerk heeft geen vaste topografie of volgorde. Je kunt apparatuur inprikken waar je maar wilt. Het netwerk kun je eindeloos verdelen met ‘splitters’ en stekkerdozen. Een LocoNet netwerk mag uitgroeien tot een totale lengte van enkele honderden meters lengte. Desondanks is LocoNet heel betrouwbaar. Storingen die bij bijvoorbeeld terugmelding over een S88-bus voorkomen, zie je bij LocoNet eigenlijk nooit.
Hoewel jezelf kunt bepalen welke vorm het netwerk heeft, mag je een LocoNet-netwerk niet aanleggen als een grote lus. Digitrax raadt dit op hun website af, omdat het tot storingen kan leiden. Elke andere vorm van het netwerk (boom, ster, etc.) is prima. Uiteindelijk wordt het vermogen op de LocoNet-bus de beperkende factor. Als je te veel apparaten aansluit, kan de centrale niet genoeg stroom (maximaal 0,5A) leveren om alles te laten werken. Je kunt het LocoNet-netwerk dan splitsen in secties en de extra secties via een aparte LocoNet-versterker van stroom voorzien.

Kabels maken
Kabels voor LocoNet maak je makkelijk zelf in elke gewenste lengte. Voor het maken van de kabels heb je een krimptang nodig. Let er wel op dat de tang geschikt is voor het maken van 6p6c kabels, de vakterm voor kabels met 6 aders en stekkers met 6 polen.
Het samenstellen van de kabel is een fluitje van een cent. Gebruik het mes op de tang om de dikke buitenmantel over een lengte van ruim een centimeter te strippen. Er steken nu zes draadjes uit de mantel. De draadjes worden NIET gestript, maar naast elkaar in de RJ12 stekker geschoven. De stekker wordt in de tang geklikt en stevig vastgeknepen. De pennetjes in de stekker worden diep in de draadjes gedrukt.
De twee stekkers aan een kabel horen ten opzichte van elkaar 180 graden gedraaid worden. Het draadje dat aan het ene uiteinde verbonden is met pen 1 moet namelijk ook aan het andere uiteinde verbonden zijn met pen 1.

Het is niet direct een ramp als de stekkers niet gedraaid zijn. De functies van de zes draadjes zijn namelijk ten opzichte van elkaar gespiegeld. De buitenste twee (1 en 6) dragen het onversterkte railsignaal van de centrale. Ze zijn o.a. bedoeld om een booster aan te sturen. Je kunt de boosters dus verspreid onder de baan monteren en ze via LocoNet verbinden met de centrale. Op beide binnenste draadjes (3 en 4) staat het eigenlijke LocoNet-signaal. De overgebleven twee draadjes (2 en 5) zijn beide verbonden met de massa. Het signaal op 3 is gelijk aan 4, het signaal op 2 is gelijk aan 5.
Een verkeerde kabel zorgt wel voor problemen als je boosters gaat aansluiten via LocoNet. Het railsignaal op draadje 1 is namelijk in tegenfase met het railsignaal op draadje 6. Als ze verwisseld worden, wordt ook het uitgangssignaal van de booster omgedraaid. Op de railovergang van de ene booster naar de andere krijg je dan kortsluiting. Kortom, gebruik altijd kabels met gedraaide stekkers.

De LocoHub
Ik was op zoek naar een centraal verdeelpunt voor LocoNet, omdat ik onder diverse modules van Buitenlust LocoNet-aansluitingen wilde maken. Kant-en-klaar was er niets vergelijkbaars te koop en daarmee was de LocoHub snel geboren. LocoHub heeft zeven LocoNet-aansluitingen die 1-op-1 met elkaar zijn verbonden. In één van de zeven prik je de kabel van de centrale en op de andere zes connectoren kun je alle mogelijke LocoNet-spullen aansluiten. . Bijvoorbeeld een handregelaar, terugmelddecoders of een volgende LocoHub. Zo is er altijd wel een LocoNet-aansluiting in de buurt.

De LocoHub is makkelijk te solderen. De plaats van alle componenten is duidelijk op de print aangegeven. Monteer eerst de zeven connectoren. Je moet ze met enige kracht in de gaten klikken. Kijk wel even uit dat je de pootjes niet verbuigt. Daarna kun je eventueel de andere componenten op hun plaats solderen. Onderop de print zitten twee maal twee soldeereilandjes. Met een soldeerverbinding tussen de twee linker eilandjes kun je de beide massa-aders met elkaar verbinden. Met de twee rechter eilandjes kun je de beide LocoNet-aders verbinden. Deze optie is alleen bedoeld voor mensen die met kabels willen werken met twee of drie aders in plaats van de volledige LocoNet-kabels.

Op het printje is een simpele kabeltester met vier LEDS opgenomen. Aan de LEDs kun je direct zien of de vier aders in de LocoNet-kabel inderdaad een signaal voeren. Een eventuele kabelbreuk is zo snel terug te vinden. De LEDs zijn echt bedoeld als tester; je hoeft ze niet op de print te zetten. De LEDs gebruiken vanzelfsprekend stroom en als je ettelijke LocoHubs met LEDs onder je baan hangt, gaat er een deel van het beschikbare vermogen op de LocoNet-bus op aan de LEDs. Ik heb alleen de verste LocoHubs met LEDs uitgerust. Als daar de signalen binnenkomen, zal het op de tussenliggende hubjes ook wel goed zitten. NB. Gebruik in tegenstelling tot de aangegeven 270 Ohm vier weerstanden van 680 Ohm.
De printconnector is gedacht om LocoHubs te stapelen. Op de bovenste print zet je dan aan de onderkant een vrouwtje dat in de printconnector grijpt. Hierbij moet je wel een printconnector gebruiken met extra lange pinnen. Zo kun je eenvoudig een LocoHub met veertien aansluitingen bouwen en kom je echt nooit meer een plug te kort.
De benodigde onderdelen zijn:
| Onderdelen | ||
| Aantal | Omschrijving | Conrad nummer |
| 7 | RJ12 connectoren | 716136 |
| 4 | weerstand 680 Ohm (optie) | 403237 |
| 4 | duo LEDs (optie) | 183652 |
LocoHub4

De LocoHub heeft inmiddels een kleiner broertje: de LocoHub4. Dit is een kleinere en goedkopere versie van de LocoHub met vier aanluitingen. LocoHub4 heeft geen tester en is ideaal om het LocoNet te vertakken onder je baan.
De printplaten kun je bestellen via het bestelformulier.
Een uitgebreider verslag kun je lezen in de Railhobby van september 2008.
2008